Huisvestingswet
De Huisvestingswet biedt gemeenten instrumenten om bij een tekort aan woningen ongewenste ontwikkelingen in de woningmarkt tegen te gaan. De VROM-Inspectie houdt toezicht op de manier waarop gemeenten deze instrumenten inzetten.
In principe geldt op de Nederlandse woningmarkt vrije vestiging. Bij schaarste kunnen gemeenten echter regels stellen. Het zijn vooral de woningcorporaties die de regels uitvoeren, maar ook particuliere verhuurders en verkopers van woonruimte kunnen onder deze regels vallen.
Mogelijkheden gemeenten
Gemeenten kunnen op grond van de Huisvestingswet:
- woningen toewijzen of bindingseisen aan toekomstige bewoners stellen;
- wel of niet toestaan woningen te splitsen of samen te voegen, of aan de woningvoorraad te onttrekken;
- voorrang geven aan sommige groepen woningzoekenden (verblijfsgerechtigden, mensen in crisisopvang).
Deze instrumenten zijn bedoeld om een evenwichtige en rechtvaardige woonruimteverdeling te scheppen en ongewenste ontwikkelingen in de woningvoorraad tegen te gaan.
Rol VROM-Inspectie
De VROM-Inspectie houdt toezicht op de huisvesting van statushouders en gepardonneerden, heeft in 2008 onderzoek gedaan naar mogelijkheden om spoedzoekers te helpen en zet in 2009 haar onderzoek uit 2007 voort naar onrechtmatige bindingseisen. Van dit laatste is sprake als gemeenten eigen inwoners bij woningtoewijzing bevoordelen, zonder dat daar een rechtmatige grondslag voor is.
Veel gemeenten stellen bindingseisen, schattingen lopen uiteen van 10 tot 25% van de gemeenten. Bij onrechtmatige bindingseisen realiseren gemeenten zich vaak niet dat zij onjuist handelen. Daarom richt de VROM-Inspectie zich in eerste instantie op bewustmaking. De VROM-Inspectie kan gemeenten ook opsporen en bestuurlijk aanspreken.
